“Oude wijn in nieuwe zakken”. “Wat eerst structuurvisie heette, wordt straks omgevingsvisie genoemd, pfff”, “Vooral iets voor de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling in onze gemeente, niet Economische Zaken”, “Hopelijk leidt het uitstel van de Omgevingswet tot afstel”.

Wie zijn oor te luisteren legt bij de meer economisch georiënteerde beleidsambtenaren bij de lagere overheden hoort veel scepsis over de nieuwe Omgevingswet. En ook trouwens een groot gebrek aan kennis over de Omgevingswet en wat dat voor ondernemers en het vestigingsklimaat kan betekenen. Dat in de Omgevingswet alle bestaande wetten omtrent de fysieke leefomgeving worden gebundeld, is voor het bedrijfsleven goed nieuws, want – op het oog – een stuk eenvoudiger, inzichtelijker en voorspelbaarder. Het geven van meer ruimte voor initiatief en het versnellen en verbeteren van de besluitvorming voor projecten in de fysieke leefomgeving, vallen ook bij de economische stakeholders in goede aarde.

Toch is het enthousiasme bij het bedrijfsleven niet groot. Deels omdat het een ‘ver-van-mijn-bed-is’, deels omdat de wetgeving en de beschikbare visies redelijk abstract, vooral agenderend en niet-oplossingsgericht zijn. Dat geldt voor de nationale omgevingsvisie, maar ook voor veel gemeentelijke omgevingsvisies, zo ontdekte Eric Rongen, die stage liep bij ons bureau op dit onderwerp en een aantal omgevingsvisies analyseerde.

Bestudering van deze beschikbare gemeentelijke omgevingsvisies door een economische bril leert dat de belangrijkste economische thema’s (o.a. structuur lokale economie, werklocaties, vestigingsklimaat, duurzaamheid) wel in beschrijvende zin aan bod komen, maar aanzienlijk minder als opgave. Afwegingen tussen eventueel conflicterende economische opgaven, tussen tegenstrijdige ruimteclaims en hoe zich dat per deelgebied verhoudt, blijven in de meeste gevallen buiten schot. In de vertaling naar één gemeentelijk Omgevingsplan zal dat ‘gevecht’ nog moeten gaan plaatsvinden.

‘Gevecht’ staat tussen aanhalingstekens omdat Eric Rongen laat zien dat de gewenste integrale benadering slechts een enkele keer plaatsvindt (Tilburg, Alkmaar), maar vaker een combinatie is van integrale benadering en sectorale inbrengen (Sittard-Geleen) of toch vooral sectoraal (Noordwijk) opgezet is. De gemeente Utrecht daarentegen kiest juist voor nadruk op gebieden/wijken, met een lichte overall-visie.

De economische paragraaf in de nu beschikbare gemeentelijke omgevingsvisies is wel aanwezig, maar de afdelingen Economische Zaken tonen tot nog toe teveel een ongezonde afkeer van dit ‘feestje voor ruimtelijke ordenaars’. Dat is onverstandig. Als straks de Omgevingsvisie moet worden vertaald in één omgevingsplan per gemeente (met bindende regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving en het toedelen van functies aan locaties) dan is het lastig argumenteren als het vestigingsklimaat en de condities voor verdere ruimtelijk-economische ontwikkeling maar magertjes in de gemeentelijke omgevingsvisie staan. Anders gezegd, de Omgevingswet biedt een gemeente extra kansen om economische ambities waar te maken, maar dan moeten die ook in een vroegtijdig stadium worden geformuleerd en geconcretiseerd. Ondernemers en ambtenaren die het economisch belang hoog achten zullen dus uit de coulissen moeten komen en zich de (on)mogelijkheden van de Omgevingswet (meer) eigen moeten maken.

Thema's

Er zijn geen gerelateerde thema's gevonden

Meer weten over dit item?

Stel uw vraag aan onze expert

Ontvang nieuws van BCI