03 juli 2026

Concrete handvatten voor gemeenten bij realisatie laadplein

De transitie naar emissieloze bouw kan door gemeenten (en andere publieke partijen) ondersteund worden door de realisatie van laadpleinen waar bouwers (en mogelijk andere partijen) terecht kunnen. Om te bepalen of dit inderdaad een reële optie is ontwikkelde BCI een blauwdruk om hierin de juiste afweging te maken. 

Met het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) zetten markt en overheid zich in voor de transitie naar een duurzame en emissieloze bouw. Dit is nodig vanwege de verschillende uitdagingen op het gebied van klimaat en stikstof. Dit convenant is, naast alle provincies en waterschappen, ook door een steeds groter aantal gemeenten ondertekend. Emissieloos bouwen wordt daarmee op steeds meer plaatsen de norm.

Deze transitie kan echter alleen slagen als er ook voldoende laadinfra beschikbaar is. De bal ligt daarvoor niet alleen bij de bouwsector, ook de opdrachtgever heeft hierin een taak. Diverse gemeenten spelen hier al op in en verkennen of zij de mogelijkheid hebben om zelf een laadplein te ontwikkelen en dit ter beschikking te stellen aan bouwers die voor hen werken. Om deze gemeenten te ondersteunen ontwikkelde BCI, samen met Haskoning en NRG en in opdracht voor de Topsector Logistiek en Gemeente Veenendaal een Blauwdruk voor realisatie van een laadplein. 

Wanneer is realisatie bouw laadplein het overwegen waard?

Voor gemeenten is het zelf realiseren van een laadplein voor de bouw meestal niet het eerste waar men aan denkt. Maar wanneer er in de komende jaren meerdere bouwprojecten gepland staan die gebruikmaken van emissieloos materieel, deze projecten dicht bij elkaar liggen, er voldoende ruimte en een geschikte netaansluiting beschikbaar zijn én de gemeente de sector actief wil ondersteunen, kan een centraal laadplein toch aantrekkelijker zijn dan individuele laadoplossingen per project. Zo’n centraal laadplein kan bovendien ook door andere partijen worden gebruikt, zoals transporteurs die de ZE-zone moeten betreden. Daarmee kan ook er efficiënter omgegaan worden met de schaarse ruimte, zowel fysiek als op het elektriciteitsnet. Zeker dat laatste is niets minder dan een harde noodzaak gezien het overvolle stroomnet.

Blauwdruk voor ontwikkeling; vier concrete stappen

De blauwdruk bestaat uit een viertal stappen die door een projectmanagers of beleidsadviseurs van een gemeente gevolgd kunnen worden. Na het doorlopen van deze stappen is duidelijk of realisatie van een laadplein daadwerkelijk een optie is voor de gemeente, welke omvang deze dan dient te hebben en wat de gewenste gemeentelijke betrokkenheid bij realisatie en exploitatie is. De vier stappen zijn:

  • Start niet met techniek, maar met de projectopgave: Een laadplein is alleen zinvol als het aantoonbaar projecten helpt om emissieloos uitvoerbaar te worden. Bundel daarom de relevante bouw- en infraprojecten voor de komende twee tot vijf jaar in één compact projectportfolio met planning, fasering, aard van de werkzaamheden en emissieloze ambitie. Vertaal deze informatie vervolgens, aan de hand van een materieelinzetplan, naar de laadvraag
  • Vertaal de laadvraag naar een slim en schaalbaar laadaanbod: Ontwerp met een mix van laadinfrastructuur met een variatie van laag en hoog vermogen. In de bouw ligt het zwaartepunt met elektrisch laden vaak in de avond en nacht, met een lagere stroomvraag overdag. Een functionele mix van lagere en hogere vermogens werkt daarom beter dan volledig ontwerpen op theoretische piek. Toets deze opzet direct op de beschikbare ruimte en netcapaciteit.
  • Maak de rol van de gemeente expliciet: Veel trajecten vertragen niet door techniek, maar door onduidelijkheid over eigenaarschap en exploitatie. Maak daarom vroeg expliciet welke rol de gemeente, als publieke partij, wil spelen: zelf investeren en exploiteren, publieke regie combineren met uitbestede diensten, of juist uitvoering en risico bij marktpartijen neerleggen. In de blauwdruk worden hiervoor verschillende scenario’s geschetst.
  • Onderbouw de Businesscase: De businesscase moet niet alleen laten zien wat het kost, maar vooral onder welke voorwaarden realisatie verantwoord is. Benuttingsgraad is daarbij vaak belangrijker dan techniek. Reken daarom met investeringskosten, structurele lasten, energie-inkoop en onderhoud, maar combineer dit altijd met gevoeligheidsanalyse op gebruik en faseringsopties.

Casus Veenendaal

In Veenendaal wordt de komende jaren veel gebouwd, met als zwaartepunten de Spoorzone (circa 4.000 woningen) en grote infrastructurele projecten zoals het Stadspark en de Rondweg-oost. De ambitie is om in te zetten op schoon en emissieloos te bouwen. Binnen deze context wil de gemeente een laadplein voor elektrisch bouwverkeer realiseren op de Nijvercampus, een strategisch gelegen terrein in de Spoorzone. Het terrein van 5,45 hectare is eigendom van de gemeente en beschikt over een grootverbruikersaansluiting van 1.350 kW. Deze aansluiting zal via een e-hub worden gedeeld met toekomstige bedrijven en kan ook het laadplein voeden.

Bij de casus Veenendaal is op basis van de laadvraag bepaald dat een laadplein met 9 laadplekken benodigd is. Een realistische verdeling daarvan kan als volgt zijn:

  • 3 grote opstelvakken, geschikt voor groot materieel en N2/3 vrachtvoertuigen, uitgerust met de 150 of 300 kW DC laders
  • 6 kleine opstelvakken, geschikt voor klein materieel, accupakketten en N1 bestelvoertuigen, uitgerust met 50 kW DC laders

 

Zelf aan de slag

Met de inmiddels gepubliceerde blauwdruk kunnen overheden zelf aan de slag om te verkennen of realisatie van een laadplein mogelijk is. Vanuit BCI kunnen we gemeenten hier actief bij ondersteunen door samen na te gaan wat de verwachte laadvraag vanuit projecten is, welk laadplein hierbij past en welke rol de gemeente zelf wil innemen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of een oriënterend gesprek voeren over wat we voor u kunnen betekenen? Neem dan contact met ons op.

Gerelateerde contactpersonen
portr-christiaan-van-luik-32096
Christiaan van Luik
Principal Consultant