Van oudsher is fysieke bereikbaarheid over de weg, lucht, spoor of binnenvaart een belangrijke vestigingsvoorwaarde voor bedrijven. Omgekeerd bepaalt die internationale connectiviteit ook in substantiële mate de concurrentiekracht van een stad of een regio. Naast fysieke bereikbaarheid is de laatste 10 jaren de digitale bereikbaarheid in belang gegroeid: van mobiele telefonische bereikbaarheid tot kwaliteit, snelheid en betrouwbaarheid van breedbandverbindingen. De Raad voor de Leefomgeving bepleitte vorig jaar in haar advies “Mainports Voorbij” terecht voor meer aandacht voor de digitale infrastructuur. De kwaliteit van die digitale infrastructuur is in Nederland heel goed te noemen, zo blijkt uit tal van onderzoeken. De grootste datahub in Nederland, de Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX), is met een marktaandeel in Europa van 40%, het grootste internetknooppunt van Europa en kan dan ook worden gezien als de derde Nederlandse mainport.

Naar verwachting zal het wereldwijde dataverkeer verdriedubbelen in 5 jaren (!) (en vooral vanuit de cloud worden aangeboden) als gevolg van o.a. videostreaming (leve Netflix en Videoland), het intensieve gebruik van mobiele apparaten, de explosieve groei van data-opslag en het Internet of Everything: steeds meer apparaten (high tech productieprocessen, domotica, connected cars) worden gekoppeld aan het internet.

Mooi dat Nederland in de Champions League van digitale hubs mee speelt, maar is het ook een vestigingsfactor op zich? Voor veel bedrijven is digitale bereikbaarheid een als normaal ervaren vestigingsvoorwaarde: je kunt toch ook met de auto bij elk bedrijf komen? Het belang van digitale bereikbaarheid is een ‘commodity’, die vooral aan de orde is als de digitale bereikbaarheid onverwacht zwak is in bijvoorbeeld afgelegen gebieden. Voor een bepaalde categorie bedrijven is een geweldige digitale bereikbaarheid een cruciale vestigingsfactor, nl. voor datacenters. Dat zijn gebouwen waarin ICT-apparatuur (servers) is ondergebracht. De gebouwen kennen allerlei veiligheidsvoorzieningen en gebruiken veel energie (in Amsterdam zijn 40 datacenters verantwoordelijk voor 11% van het energiegebruik van alle bedrijven). Sommige bedrijven hebben eigen datacenters, maar de meeste bedrijven en organisaties maken gebruik van bedrijven die data-opslag als service aanbieden. Voorbeeld van dit soort zogenaamde co-location providers zijn Equinix en Interxion, maar ook – vooral via dienstverlening via de cloud - Google, Microsoft en Amazon.

Met name in die laatste categorie zijn enorme datacenters (zgn. hyperscales) sterk in opkomst, waar nu al meer dan de helft van alle data-opslag plaatsvindt. Aansprekend voorbeeld in Nederland is Google, dat in de Eemshaven (Noord-Groningen) een datacenter heeft gebouwd op 45 ha terrein met een investering van 600 miljoen euro. Maar de hyperscale van Microsoft in Middenmeer (Noord-Holland) mag er met zijn 40 hectaren en 2 miljard euro investering ook zijn. De meer reguliere co-locatie datacenters hebben nu zo’n 200.000 m2 in gebruik, vooral geconcentreerd in Amsterdam. De nabijheid van de AMS-IX is daarbij van belang, omdat dat leidt tot lagere netwerkkosten, betere snelheid van het netwerk en grotere redundancy (aanwezigheid van meerdere netwerken om bij uitval alternatief te hebben).

Samengevat: Nederland heeft een adequate digitale infrastructuur, Amsterdam doet het internationaal goed, de directe economische spin-off is echter bescheiden (2.300 directe banen, plus nog eens 1.550 indirecte banen volgens de Dutch Data Center Association). Maar het faciliteren van gebruik van data (‘big data’) in allerlei bedrijfsprocessen leidt tot versnelling van de productiviteitsgroei. En daar schieten we economisch pas echt wat mee op.

Thema's

Meer weten over dit item?

Stel uw vraag aan onze expert

Ontvang nieuws over BCI